Oplossingsgericht?

Oplossingsgerichte therapie is een vorm van psychotherapeutische hulpverlening die gericht is op het benutten van de sterke kanten en hulpbronnen van de cliënt. Samen met de hulpverlener onderzoekt de cliënt welke vaardigheden hij al in huis heeft om zijn problemen aan te pakken.

De oplossingsgerichte therapie is een manier van werken die gericht is op het versterken van de autonomie van cliënten, waarbij de aandacht vooral uitgaat naar de oplossing in plaats van naar het probleem. De hulpverlener stimuleert een cliënt om zich een toekomst voor te stellen waarin het probleem zich oplost.Het uitgangspunt is dat het niet altijd nodig is om inzicht te hebben in het ontstaan van problemen om deze te kunnen oplossen.

De nadruk van de behandeling ligt daarom op het vinden van oplossingen. De cliënt wordt gezien als expert. Voor de hulpverlener is het referentiekader van de cliënt bepalend voor de manier waarop oplossingen worden vormgegeven. 

De therapie is ontwikkeld vanuit een pragmatisch oogpunt. De bedenkers, De Shazer, Berg en collega’s van het Brief Family Therapy Center, hebben al experimenterend de oplossingsgerichte manier van werken ontwikkeld uit onvrede over traditionele hulpverleningsstrategieën die sterk probleemgericht werken. Al werkend kwamen zij tot de ontdekking dat:

  • als iets niet werkt, een hulpverlener of cliënt beter iets anders kan proberen, en als iets werkt, daar dan meer mee te doen;
  • elke cliënt sterke kanten en hulpbronnen heeft om te veranderen;
  • problemen beschouwd kunnen worden als wegversperringen als gevolg van beperkte herkenning van alternatieven en niet als symptomen van onderliggende pathologie;
  • een kleine verandering in een aspect van een probleem het begin kan zijn van een oplossing;
  • samenwerking en de focus op toekomstige mogelijkheden en oplossingen verandering versterken.

Kenmerkend voor oplossingsgerichte therapie is het vertrouwen van de hulpverlener in de mogelijkheden van de cliënt om zelf positieve veranderingen te realiseren. De basis van de oplossingsgerichte therapie ligt in het werk van Milton H. Erickson, de gezinssysteemtheorie, de post structurele, postmoderne of constructivistische ideologie (De Shazer, 1991, 1994; De Shazer & Berg, 1992 in Lewis & Osborn, 2004).

Oplossingen worden geconstrueerd door uitzonderingen op het probleem of situaties waarin het probleem verwacht wordt maar zich niet voordoet, te identificeren en uit te spitten. De competenties en sterke kanten worden benadrukt en vervolgens gericht ingezet om nieuw gedrag aan te leren (Lewis & Osborn, 2004). Door de vraag te stellen waar en wanneer zich uitzonderingen voordoen, wie daarbij betrokken zijn en wat diegenen doen, kunnen de hulpverlener en de cliënt praktisch uitvoerbare oplossingen vinden die aansluiten bij het referentiekader van de cliënt. Een uitzondering kan zo een (deel)oplossing van het probleem zijn en daarmee een startpunt voor een grotere verandering. Door te zoeken naar uitzonderingen wordt een kettingreactie in gang gezet die leidt tot de oplossing van een groter probleem.

Het uitgangspunt van oplossingsgerichte therapie is dat individuen de capaciteiten hebben om zelf oplossingen voor hun problemen te bedenken. De belangrijkste taak van de hulpverlener is om de cliënt dit intrinsieke potentieel te helpen ontdekken en de cliënt in een positieve richting te leiden die de cliënt samen met de hulpverlener definieert. Het is voor de oplossing niet nodig om het probleem tot op de bodem uit te diepen (Cepeda & Davenport, 2006).

Oplossingsgerichte therapie richt zich op de sterke kanten van een cliënt, omdat dit constructiever is dan werken aan zijn tekorten en problemen. De verwachting is dat de behandeling tot betere resultaten leidt wanneer een hulpverlener de sterke kanten benadrukt, hoe klein de signalen voor verbetering ook zijn. Een hulpverlener en een cliënt die samen zoeken naar de sterke kanten en hulpbronnen, zoals ondersteuning door familie of vrienden, van een cliënt, krijgen gemakkelijker een constructieve samenwerkingsrelatie. Het helpt hen zich samen te richten op de bestaande competenties van de cliënt om de doelen van de behandeling te bereiken. Een dergelijke samenwerking zorgt er ook voor dat de cliënt vertrouwen in en respect voor de hulpverlener krijgt (Cepeda& Davenport, 2006).